~Kids met CD-ODD en ADHD~

CD: Conduct Disorders. In het Nederlands:'gedragsstoornis'.


De Engelse term voor antisociale gedragsstoornis, ook wel gedragsstoornis genoemd, is Conduct Disorder, af te korten in CD.

ODD kinderen zijn moeilijk op te voeden, ongehoorzaam en bieden verzet, maar feitelijk gewelddadig gedrag is niet aan de orde. Bij CD heeft de persoon een gebrek aan respect voor de rechten en gevoelens van anderen. Ook blijven schuldgevoel en wroeging uit wanneer hij of zij anderen kwetst.

Om van een gedragsstoornis te kunnen spreken, moeten we een aantal negatieve gedragingen, die niet veroorzaakt worden door de omstandigheden en die vaker en sterker voorkomen dan gemiddeld, al langere tijd aanwezig zijn.

Van een antisociale gedragstoornis of CD kan worden gesproken als een kind gedurende langere tijd meer dan drie van de volgende eigenschappen heeft:

-Pest, bedreigt, intimideert;
-Gebruikt wapens en brengt lichamelijk letsel toe;
-Zet aan tot vechten;
-Mishandelt mens en dier;
-Dwingt tot seksueel contact;
-Steelt of liegt om verplichtingen uit de weg te gaan;
-Sticht brand en vernielt met de bedoeling ernstige schade aan te richten;
-Spijbelt en loopt weg van huis.

Hoe vaak komen deze stoornissen voor?
De oppositioneel-opstandige gedragsstoornis komt bij 3,2% van de kinderen voor, de antisociale gedragsstoornis bij 2%. Samen vormen ze de meest voorkomende kinderpsychiatrische stoornis: 1 op de 20 kinderen lijdt eraan. De antisociale gedragsstoornis komt 3 keer vaker voor bij jongens dan bij meisjes; dit verschil is kleiner bij de oppositioneel-opstandige gedragsstoornis.

Oorzaken en gevolgen
Het zit in het kind; het ligt aan de ouders. Jarenlang heeft de discussie over de oorzaak van ernstige gedragsproblemen gedraaid om deze twee uitersten.
Tegenwoordig wordt uitgegaan van het feit dat gedragsstoornissen ontstaan vanuit een wisselwerking tussen, enerzijds, de kwetsbaarheid van het kind (risicofactoren bij het kind) en, anderzijds, omgevingsfactoren (risicofactoren bij de ouders en de bredere sociale omgeving).

Kwetsbaarheid van het kind: erfelijkheid & biologische factoren
Over de kwetsbaarheid van het kind dient allereerst gezegd te worden dat erfelijke factoren een rol spelen. Er is echter geen rechtstreeks verband tussen een bepaald gen (die het erfelijk materiaal bevat) en bijvoorbeeld stelen of vechten.

Genen zijn verantwoordelijk voor de bouwstoffen en de ontwikkeling van onze hersenen. Hersenen bestaan uit systemen die een rol spelen in psychologische functies zoals de aandacht, de onderdrukking van impulsen en de beheersing van emoties. Verstoringen van deze functies leiden tot verschijnselen als concentratieproblemen, impulsiviteit, overbeweeglijkheid en heftigheid in reageren.

De omgeving
De meeste jonge kinderen proberen hun zin door te drijven. Zij stuiten daarbij op de grenzen die hun ouders hen opleggen. Hoog oplopende conflicten tussen 2-3 jarigen en hun ouders die vasthouden aan eisen, opdrachten en verboden zijn heel gewoon.

Als het goed is nemen deze conflicten met de leeftijd af. Bij kinderen met een moeilijk temperament of een zwakke impulsbeheersing komen deze conflicten vaak voor; ze gaan gepaard met schreeuwen, schelden en slaan. Voor de ouders van deze kinderen is het moeilijker om vast te houden aan de gestelde grenzen dan voor ouders van kinderen met een gemakkelijk temperament.

De gevolgen van een agressieve gedragsstoornissen kunnen zeer ernstig zijn, zowel voor het gezin van het kind als voor het kind zelf. Uiteindelijk kan het leiden tot mishandeling van ouders, van broertjes en zusjes, van dieren en van leeftijdsgenootjes. De ervaring leert dat op het thema 'mishandeling door kinderen en jongeren binnen het gezin' een groot taboe rust.

Het kost ouders kennelijk grote moeite om het probleem in ware omvang te onderkennen en te erkennen. Vaak schamen zij zich zo, dat ze pas in een vergevorderd stadium hulp gaan zoeken. Dan is er al een neerwaartse spiraal gaande van steeds verder escalerend gedrag. Het gezin kan hierdoor ernstig geïsoleerd geraakt zijn.

Agressieve gedragsstoornissen worden vaak in verband gebracht met later optredend crimineel en delinquent gedrag; bij een aantal adolescenten gaat het één inderdaad over in het ander. Echter niet elke crimineel heeft in zijn jeugd een gedragsstoornis gehad. De meeste kinderen met een gedragsstoornis blijven op het rechte pad, enkele ontsporingen in de adolescentie daargelaten.

Diagnose
De diagnose van antisociale gedragsstoornis wordt niet vaak gesteld bij kinderen jonger dan 8 jaar, omdat ernstige vormen van agressief gedrag zoals inbreken bij jonge kinderen minder voorkomen. Daarentegen wordt bij kinderen vanaf 4 jaar de diagnose oppositioneel-opstandige gedragsstoornis wel gesteld. Als deze kinderen zich ongunstig ontwikkelen wordt bij hen later de diagnose antisociale gedragsstoornis gesteld.

Bij de beoordeling of er sprake is van een gedragsstoornis zal rekening gehouden moeten worden met de leeftijd van het kind. Wanneer kinderen worden geboren, zijn het niet meteen sociaal functionerende wezens. Ze hebben daar wel aanleg voor, maar moeten die eigenschap nog tot ontwikkeling laten komen. Het vermogen om rekening te houden met anderen, hen met respect te bejegenen en af te kunnen zien van eigen behoeften ten gunste van anderen, ontplooit zich geleidelijk in de omgang met volwassenen.

Tijdens de peuter- en kleuterleeftijd is er bij vlagen in meer of minder mate sprake van agressief gedrag. Bij een vierjarig kind heeft kwetsend gedrag naar mens en dier een andere, minder ernstige betekenis dan bij een achtjarige. Door de taalontwikkeling krijgt het kind de gelegenheid zijn gevoelens, gedachten en wensen onder woorden te brengen. Dit draagt vervolgens bij tot het afnemen van agressief gedrag. Hoewel dus een zekere mate van opstandig en agressief gedrag op een bepaalde leeftijd normaal genoemd mag worden, kan met inachtneming van de leeftijd van het kind en diens ontwikkelingsprofiel aan de hand van de criteria uit de DSM worden bepaald wanneer de grens van wat gewoon is, wordt overschreden.

Een kinder- en jeugdpsychiater diagnosticeert een agressieve gedragsstoornis aan de hand van gegevens uit gesprekken met ouders en leerkrachten over de voorgeschiedenis van het kind, of de jongere en zijn eigen observaties in contacten met het kind of de jongere. Bij kinderen is men zeer voorzichtig met de diagnose CD, omdat agressief gedrag ook bij bepaalde leeftijdsfasen kan horen en een kind nog niet uitontwikkeld is.

Behandeling
De behandeling moet op verschillende fronten tegelijkertijd worden ingezet en rekening houden met de beperkingen van zowel de jongere als van het gezin. Daarbij is het terugdringen van de spiraal van opvoedingsmachteloosheid en gedragsontsporing moeilijk te verwezenlijken.

Anticiperen in de opvoeding blijkt een belangrijk thema te zijn. Jongeren met ODD en CD hebben dikwijls een tekortschietende emotionele zelfregulatie, zijn snel gefrustreerd en zijn weinig flexibel in het omschakelen naar een andere houding ten opzichte van de situatie. Ouders (en leerkrachten) moeten manieren zien te vinden om in de opvoeding weer een positieve toon te vinden.

Ouders (en leerkrachten) kunnen zich trainen om met het moeilijke gedrag om te gaan en voor het kind de grenzen te bewaken. Ze kunnen leren vooruit te kijken, probleemsituaties te voorzien en veranderingen aan te brengen. Hulp en ondersteuning door professionals zullen dikwijls niet gemist kunnen worden. Tijdelijke opvang door derden, zoals logeermogelijkheden, buitenschoolse opvang e.d. kunnen ouders ontlasten en hen tegelijkertijd de gelegenheid bieden hun taak vol te houden.

Er bestaat geen medicijn dat gedragsstoornissen opheft. Medicatie wordt vooral toegepast wanneer er sprake is van bijkomende stoornissen, zoals ADHD of depressiviteit, of om begeleidende verschijnselen te verminderen. Medicatie bij gedragsstoornissen wordt vooral gegeven:
-voor acute situaties om gevaar af te wenden;
-voor chronische situaties, om patronen te doorbreken;
-indien er ook sprake is van ADHD;
-wanneer er ook sprake is van een stemmings- of angststoornis.

Een ernstig gedragsstoornis is vaak moeilijk te behandelen, onder meer omdat:
-het kind veelal weinig probleembesef heeft (als dit ook bij de ouders het geval is, wordt het extra moeilijk);
-het kind de schuld van de problemen dikwijls bij anderen legt (hij is niet lastig, maar hij wordt uitgelokt);
-er in eerste instantie winst is met het gedrag (de omgeving is bang voor het agressieve gedrag van het kind en geeft toe waarmee het kind in staat is om de omgeving naar zijn hand te zetten).

Onderzoek heeft echter aangetoond dat behandelmethoden zoals geneesmiddelen, de training in opvoedingsvaardigheden voor de ouders en de training in sociale probleemoplossing voor het kind in ieder geval op korte termijn de gedragsproblemen kunnen doen afnemen. Als het lukt dat het kind-met-de-ouders op een iets ander spoor komen te zitten, dan is het zaak om jarenlang door te gaan in het toepassen van de vaardigheden die in de trainingen aan bod zijn gekomen.